Mijn naam is Marlies Leupen. Ik sta hier als voorzitter van de Gemeenschap Beeldende Kunstenaars,
de beroepsvereniging van kunstenaars in Gelderland.
Een korte introductie
Onze vereniging zet zich sinds 1947 actief in voor het belang van de beeldende kunst in Gelderland
en presenteert zich vooral als netwerk, intermediair en waakhond. De GBK wil de kansen voor en
impact van Gelderse kunstenaars vergroten door hun krachten te bundelen en een actieve bijdrage te
leveren aan hun ontwikkeling en profilering. De vereniging telt zo’n 300 leden. Daarvan woont en
werkt 40% in Arnhem, 20% in Nijmegen en 40% in de rest van Gelderland. Samen betalen deze leden
op jaarbasis een kleine € 30.000 aan contributie. Onze overige bronnen van inkomsten zijn
activiteitensubsidies van de gemeenten Arnhem en Tiel.
Niet eerder maakten wij van de mogelijkheid gebruik om uw aandacht te vragen voor zaken die de
beeldende kunst en beeldend kunstenaars in Gelderland aangaan. Maar nu uw cultuurnota ‘Meer
verbindingen’ haar laatste jaar ingaat en u wordt gevraagd om in te stemmen met de
investeringsstrategie 2012 - 2015 en het jaarprogramma cultuur en cultuurhistorie 2012, zou ik graag
een drietal punten aan u willen voorleggen.
1. Kansen voor innovatie en samenwerking
In hun agenderingsverzoek stellen de Gedeputeerde Staten dat de cultuur- en cultuurhistorische sector
ook in financiële zin een dynamische sector moet worden en blijven, met meer partnerschap, meer
zelfstandigheid, meer onafhankelijkheid en meer cultureel ondernemerschap. Als beroepsvereniging
zijn wij het geheel met deze stelling eens. Beeldend kunstenaars zijn veel meer geïnteresseerd in
opdrachten dan in subsidietrajecten.
Punt is alleen: hoe komen wij tot effectieve samenwerking?
In het Gelders Coalitieakkoord 2007-2011 en in de cultuurnota ‘Meer verbindingen’ wordt de
beeldende kunst als kans met uitroepteken genoemd om de ruimtelijke kwaliteit van onze
leefomgeving een nieuwe impuls te geven. Kunstenaars zouden op het terrein van ruimtelijke
ordening, waterbeheer en inrichting van het landelijk gebied inderdaad een rol van betekenis kunnen
spelen. Maar hoe komen zij aan tafel bij de beleidsmakers die zich met deze thema’s bezighouden?
De pogingen die onze vereniging hiervoor gedaan heeft en de pleidooien die wij bij expertmeetings
hiervoor hebben gehouden, hebben tot nu toe nog geen overleg opgeleverd. Sterker nog, het lijkt alsof de afdeling cultuur de toenadering van kunstenaars tot beleidsterreinen buiten cultuur eerder
tegenhoudt dan entameert.
Ons advies: geef het goede voorbeeld en formuleer als provinciale overheid vernieuwende opdrachten
op het gebied van ruimtelijke kwaliteit en sociale beleving en nodig kunstenaars uit om te reageren.
Denk daarbij aan de raad van professor Arjo Klamer: het gaat om ‘warm’ geld van geïnteresseerde en
betrokken opdrachtgevers. Koud geld, geld uit een potje, gaat niet werken.
2. Contact met het veld
In hun agenderingsverzoek beschrijven de Gedeputeerde Staten hoe zij ʻvan buiten naar binnenʼ de
investeringsbehoefte bij mogelijke projectinitiatiefnemers hebben gepeild. GS beschrijven hoe zij daarbij
ruim zeshonderd projectideeën hebben ontvangen. Als beroepsvereniging zijn wij heel benieuwd wie de GS
als mogelijke projectinitiatiefnemers beschouwen en op welke wijze zij deze initiatiefnemers hebben
uitgenodigd om met ideeën te komen. In onze perceptie zijn de contacten tussen provincie en veld slechts
minimaal en zeer incidenteel.
Ons advies: zoek in aanloop naar een nieuwe cultuurnota meer contact met het werkveld. Niet alleen
in één-op-één contacten en met presentaties voor een zaal. Maar vooral ook in de vorm van
gezamenlijk overleg en vrij toegankelijke cultuurdebatten waarbij het veld actief betrokken wordt.
3. Stand van zaken ‘Werk in uitvoering Beeldende Kunst’
In de nota ‘Meer verbindingen’ over het cultuurbeleid van de Provincie Gelderland in de periode 2009-
2012 wordt beschreven hoe het provinciale beeldende kunstbeleid erop gericht is om de kloof tussen
de kunstenaar en zijn publiek te dichten. Tijdens de informatiebijeenkomst in april 2010 vertelde de
toenmalige gedeputeerde dat de provincie het CBKG opdracht had gegeven voor een onderzoek naar
de relatie beeldende kunst en de verschillende doelgroepen. Resultaten van dat onderzoek werden
verwacht in februari 2011. We zijn inmiddels een jaar verder en het CBKG is failliet. Op welke
gegevens gaat de provincie haar nieuwe beleid straks baseren?
In de nota ‘Meer verbindingen’ wordt verder beschreven hoe de inzet van beeldende kunst een
verrassend resultaat kan hebben. Verwezen wordt naar de succesvolle percentageregeling voor kunst
en infrastructuur. Helaas blijkt uit ons eigen onderzoek dat slechts drie van de negen projecten die
binnen deze regeling vallen succesvol verlopen. Bij twee projecten is een stagnatie opgetreden die al
langer dan een half jaar duurt. De overige vier projecten die in deze beleidsperiode zouden worden
afgerond, zijn überhaupt nog niet opgestart. Van uitbreiding van deze regeling waarover in de nota
gesproken wordt, is nog niets vernomen.
Ons laatste advies daarom: zorg dat de geplande projecten daadwerkelijk tot een uitvoering komen en
haak verder aan bij voorstellen uit het veld, bijvoorbeeld bij de vernieuwende initiatieven van KCG, om
de provinciale beleidsdoelen en ambities werkelijk gestalte te geven.
Ik dank u voor uw aandacht.