
Groningen, 1946
Vanuit de materie, steen of verf, ontstaan aanvankelijk willekeurige vormen. De eerste grove bewerking gebeurt met hamer en beitel, of brede kwast op doek. Deze oervormen zijn de inspiratiebron van waaruit het werk verder wordt opgebouwd. Vele bewerkingen met steeds weer nieuwe ideeën zijn nodig om de materie te laten spreken. Vaak ontstaan er in een bepaalde periode schilderijen en beelden met eenzelfde karakter. Zowel in de schilderijen als de beelden ziet men nu ronde vormen en is de suggestie van beweging aanwezig. Er is ruimte voor associaties met menselijke of dierlijke vormen en emoties.
‘Wij zien wat we zien’. Omdat de schilderijen en beelden geen inhoudelijke titels hebben meegekregen, krijgt de bezoeker de kans het naar eigen inzicht te beleven. In gedachten kan men het werk afmaken en benoemen. Het fascineert de kunstenaar dat iedereen iets anders ziet en beleeft. Elke persoon vindt in deze kunst zijn eigen verhaal.
